Artikel door Jelle Brandsma, redacteur landbouw en voeding van Trouw.
Gepubliceerd op 11 augustus 2026, te vinden op trouw.nl.
De droogte maakt zichtbaar hoe belangrijk het is om verschillende soorten bomen in een bos te hebben. Klimaatverandering betekent ook dat boomsoorten uit Zuid-Europa oprukken in Nederland.
Wie het bos ingaat, ziet de bladeren dor aan de bomen hangen. Een deel is al naar beneden gedwarreld. En dat in augustus.
De droogte maakt slachtoffers in de natuur. Onder bloemen en planten, en vooral onder bomen. Hun gestel verzwakt, hun afweer vermindert. De groei valt stil en als dat een paar jaar doorgaat, gaan ze dood.
Martijn Boosten, bosadviseur bij Staatsbosbeheer, ziet in de natuur gele bladeren aan de bomen, dor gras en struiken die verdrogen. Beuken zijn extreem droogtegevoelig omdat ze zeer oppervlakkig wortelen, vertelt hij. Zij beschermen zichzelf door hun huidmondjes te sluiten en zo water te sparen. Met die minuscule gaatjes in de bladeren nemen deze bomen kooldioxide en zuurstof op en voeren zij via verdamping water af. “Als zij daarmee stoppen, is er geen fotosynthese en stopt de groei”, legt Boosten uit.
Als een boom jaar op jaar te maken heeft met beperkte groei kan hij doodgaan, zegt Boosten. “Vooral de fijnspar raakt zeer verzwakt door droogte en kan zich dan niet meer met hars verweren tegen de letterzetter, een kleine kever. Dit leidt tot zijn dood. In sommige gebieden raken ook dennen verzwakt. Die worden aangetast door een schimmel, sphaeropsis.”
Dat gebeurde de afgelopen jaren in het Limburgse natuurgebied Meinweg. Door een combinatie van verdroging en schimmel gingen heel veel dennen dood. Momenteel wordt daar 60 hectare dennenbos vervangen door andere soorten.
Geen beschutting
Als in een bos de bomen eenmaal bladeren laten vallen, wordt de situatie ernstig, vertelt Boosten. Het bladerdek houdt het zonlicht niet meer tegen. “Er kan meer warmte doordringen en dat bedreigt het bosklimaat. De jongere bomen, de kruiden en struiken op de bodem, de ondergroei, hebben geen beschutting meer.”
Buiten het bos gaat het ook vaak mis. Bij veel beuken raakt de bast aangetast door de hitte, vertelt Wieger Wamelink, onderzoeker aan Wageningen University & Research. “Bij mij in de straat in Wageningen is de helft van de bomen aangetast. Aan één kant ligt de bast eraf en dat is vaak het begin van het einde.” In een straat staan de bomen verder uit elkaar en is er minder of geen bescherming tegen de zon. In een bos staan de bomen dichter bij elkaar en vormen de kruinen samen een zonnescherm.
Niet alleen de beuk lijdt onder de droogte. Wamelink: “In 2018 gingen veel berken dood. De wilde bosbes kan ook slecht tegen droogte. En dat geldt ook voor naaldbomen. Mensen kunnen dat herkennen als ze een conifeer in hun tuin hebben. Ze hebben veel water nodig en daarom is de bodem onder deze plant vaak droog. Als ze te weinig water krijgen verkleuren ze.”
Diepere grondlagen
Eiken houden zich beter staande dan berken, beuken en fijnsparren, maar hebben het ook moeilijk. Eiken lijden sterk onder de grote hoeveelheid stikstof die vanuit de landbouw en de industrie neerslaat in de natuur. Droogte maakt de situatie erger: als het nat is wordt stikstof makkelijker verwerkt door bacteriën. De stikstof hoopt zich op als het droog is en dat leidt tot verzuring van de bodem. Wamelink: “Dit zijn allemaal stressfactoren. Mensen kunnen niet tegen langdurige blootstelling aan stress, bomen ook niet.”
Een boom die goed tegen droogte kan, is de linde, vertelt de Wageningse onderzoeker. “Die is in staat om het water te halen uit de diepere grondlagen. De linde is ook heel geschikt om te mengen tussen andere boomsoorten in een bos. Hij is inheems, hoort van origine in Nederland thuis. Hij is goed voor de biodiversiteit en trekt onder meer bijen aan.”
Een bos met diverse soorten bomen is het beste bestand tegen droogte, zegt Wamelink. Ze hebben verschillende eigenschappen, wortelen bijvoorbeeld diep of ondiep. Dit type bos is ook beter bestand tegen bosbranden en draagt meer bij aan biodiversiteit.
Gemengd bos
Wamelink: “Wetenschappers roepen al jaren dat we toe moeten naar meer gemengde bossen in plaats van sparren of dennen. Deze naaldbomen nemen veel water op en laten dat ook verdampen, waarmee droogte toeneemt. Er wordt gewerkt aan gemengde bossen door organisaties, zoals Staatsbosbeheer, maar het gaat veel te langzaam. Je moet er veel meer vaart achter zetten, want het duurt jaren, decennia zelfs, voordat een boom volwassen is.”
Boosten van Staatsbosbeheer onderschrijft de noodzaak om boomsoorten in bossen te mengen, zoals gebeurt in natuurgebied Meinweg. “Onze bossen zijn kwetsbaar als ze uit slechts één soort bestaan. Als we meerdere soorten hebben, benutten we de bodem beter. Diverse soorten trekken ook verschillende insecten aan.
“Onze bossen diverser maken, om de veerkracht te versterken, doen wij in stappen. We willen niet grootschalig monotoon bos kappen om er gemengd bos voor terug te planten. Dan ben je een flink stuk volwassen bos kwijt, inclusief het bosklimaat en het hele ecosysteem dat daarbij hoort. Het duurt jaren voordat je dat weer terug hebt. We planten bij voorkeur in kleine groepen andere soorten aan en stimuleren ook natuurlijke ontwikkeling van andere soorten.”
Tien jaar geleden bestond 22 procent van de bossen van Staatsbosbeheer voor minimaal 40 procent uit diverse soorten bomen. Nu is 28 procent aan te merken als gemengd, vertelt Boosten. “De hoeveelheid divers bos groeit met 0,5 procentpunt per jaar.”
Dat alle naaldbomen bijdragen aan verdroging van het bos, ligt volgens Boosten genuanceerd. “Dat geldt wel voor sparren. Bij dennen is de verdamping lager, ongeveer in dezelfde orde van grootte als bij de beuk.”
Wageningen University & Research brengt met het project CSI Trees in kaart welke bomen gedijen onder bepaalde omstandigheden. Daarbij hoort ook of een boom wel of niet tegen hitte kan. “Het is interessant om dat te weten over Nederlandse bomen, maar we hebben ook kennis nodig over Zuid-Europese soorten die straks mogelijk in Nederland groeien”, zegt Wamelink.
Zuidelijke soorten bomen
De vraag is of Nederland het op den duur nog redt met enkel de boomsoorten die we nu al in Nederland kennen, zegt Wamelink. “Dat betekent dat we over moeten stappen op boomsoorten die nu in Frankrijk groeien, zoals de plataan. Dat is natuurlijk best omstreden, want we willen graag bomen die van oudsher in Nederland thuishoren. Maar we moeten ervan uitgaan dat een deel daarvan straks niet meer in Nederland kan groeien.”
De bomen die nu in Zuid-Europa staan, komen niet vanzelf naar Nederland, ook niet door klimaatverandering, zegt Wamelink. “De zaadjes waaien wel deze kant op en omdat het hier warmer wordt, kunnen die ook ontkiemen en uitgroeien tot bomen. Maar dat gaat heel langzaam, terwijl we nu al moeten veranderen om over vijftig jaar een ander type bomen te hebben. Ik denk dat we geen andere mogelijkheid hebben dan bomen, met hun omgeving zoals schimmels en bacteriën, op te pakken en te verhuizen naar het noorden. Dit is controversieel, maar ik vrees dat het onvermijdelijk is.”
Ook Boosten verwacht dat sommige boomsoorten in aantallen afnemen en sluit niet uit dat Nederland actief op zoek moet naar meer zuidelijke soorten, zoals de boomhazelaar en de elsbes. De fijnspar, lariks en de beuk gaan we in de toekomst minder zien, zegt hij. De tamme kastanje, de wintereik en de ratelpopulier zijn goede Nederlandse alternatieven.
Vernatting van de hoge zandgronden
Om voorlopig zo veel mogelijk oorspronkelijke vegetatie te behoeden voor het effect van droogte, is vernatting van de hoge zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland nodig, meent Wamelink. We moeten het water dat er is vasthouden, zegt de Wageningse onderzoeker. Het gebeurt al, maar het gaat te traag, vindt hij.
Met het vernatten van de hoge zandgronden, maar ook van gebieden zoals het Korenburgerveen en het Fochteloërveen, kunnen in droge tijden planten zoals parnassia en klokjesgentiaan worden gered. Het is ook goed voor mossen.
“Er zijn beken in ere hersteld en er worden schotjes in de sloten gezet om water vast te houden. Maar het is veel te weinig. Ik zie vooral dat het water dat in de winter valt in februari wegloopt. Waterschappen zeggen wel dat ze water willen vasthouden, maar ze doen het niet of nauwelijks. Ze kijken te veel naar de belangen van boeren die snel met hun trekker het land op willen. Dan mag de bodem niet te nat zijn.”
“Als het kan, moeten we water vasthouden”, zegt Boosten. “Maar het voorjaar van 2024 was hartstikke nat, en dat bleef een groot deel van de zomer het geval. Bomen kunnen verdrinken. Meer water vasthouden is prima, maar tot een bepaald niveau. Je moet het wel kunnen sturen, zonder dat iemand steeds een stuw dicht en open moet zetten. Dat kan door een dam in een greppel aan te brengen. Als het water te hoog komt te staan, stroomt het weg over de dam naar de grotere sloten.”


